Nog vijftien dagen tot de wedstrijd.
Ik hijs me in mijn sportkleding.
In plaats van mijn pet draag ik een Animal Rights-muts.
Vandaag ren ik ook voor de dieren.
De training is duidelijk:
vijftig minuten.
Twintig minuten zone 1.
Twintig minuten zone 2.
Tien minuten zone 1.
Ik heb geen zin.
Maar voor ik het weet sta ik aangekleed in de gang.
Koptelefoon op.
En vlak voor ik vertrek plaats ik een selfie op BlueSky:
Ik weet niet wat jullie gaan doen, maar ik ga rennen.
Hebben dat weer gehad voordat de wereld vergaat.#running
Ik post het en ren.
Geen moment om erover na te denken.
Na een paar minuten begint het zachtjes te sneeuwen.
Mijn hoofd zegt meteen:
Kom, we gaan terug. Het sneeuwt. Gamen is ook goed.
Maar een ander deel van mij vindt het romantisch.
Alleen rennen in natte sneeuw en ijzige wind.
Waar dat vandaan komt weet ik niet.
Misschien uit dat liedje van Jimmy:
Hoe sterk is de eenzame fietser
die kromgebogen over zijn stuur
tegen de wind
zichzelf een weg baant.
Dat idee helpt.
Geen smoesjes.
Als we straks die tien kilometer willen halen.
Mijn hoofd is een slechte leugenaar.
Het kan me gek maken.
Maar soms ook vooruit duwen.
De eerste tien minuten zijn altijd lastig.
Mijn hartslag schiet omhoog.
Daarna zakt hij.
Pas dan hoor ik mijn AI-coach zeggen dat ik te snel ga.
Ik denk aan mijn laatste relatie.
Hoe lullig die is geëindigd.
Zij was een spiegel.
Ze wilde afvallen.
Zelf doen.
En ondertussen zat ik haar uit te leggen hoe het moest.
Mansplainen.
Alsof zij niets wist.
Ze wilde geen advies.
Ze wilde erkenning.
Die gaf ik te weinig.
Daarom is het niet uitgegaan.
Maar het hielp ook niet.
Het stuk in zone 2 duurt lang.
Na twintig minuten neem ik een minuut pauze.
Mijn coach zegt dat ik door moet.
Maar ik hoor ook de stem van mijn huisarts van vorig jaar:
Het is prima om stukjes te lopen als je rent.
Ik loop.
En ga weer door.
De laatste minuten vliegen voorbij.
Dan zegt mijn horloge:
Your goal is finished.
Ik stop.
7,21 kilometer.
Gemiddeld tempo 6’57”.
563 calorieën.
Ik ben nog niet thuis en wandel uit.
Op de brug komt een fietser me tegemoet.
Voorovergebogen.
Tegen de wind in.
Ik heb de wind in mijn rug.
Ik ben blij dat ik vooraf havermout met fruit heb gegeten.
Voor de wedstrijd ga ik vegan energieballen maken.
Dat lijkt me slim.
Na een paar minuten wandelen besluit ik weer te rennen.
Door de stad.
Ik neem een trap alsof ik Rocky ben.
Ren door.
Mijn horloge meldt dat ik tienduizend stappen heb gezet.
Ik loop niet omdat mijn hoofd dat zegt.
Ik loop ondanks mijn hoofd.
En dat blijkt genoeg.
