Ik maak vaak dezelfde rondjes.
Niet omdat ik dat wil, maar omdat het zo gaat.
Als ik linksaf ga, kom ik altijd weer rechts uit.
En als ik stil blijf hangen, lijkt alles even te wachten.
Soms voelt het alsof ik bekeken word.
Niet echt gezien, meer alsof ik onderdeel ben van iets.
Iets waar mensen langs lopen en dan denken: oh ja, dat is er ook nog.
Er zijn er meer zoals ik.
We lijken op elkaar.
Zó op elkaar zelfs, dat niemand precies weet wie wie is.
Ik heet Hugo.
Tenminste, dat zeggen ze.
Maar soms denk ik dat we allemaal Hugo heten,
omdat het makkelijker is dan verschil maken.
Ik weet niet precies hoe groot mijn wereld is.
Hij voelt rond.
Zacht ook.
Alsof ik nergens tegenaan kan botsen, maar ook nergens écht naartoe kan.
Ik zie steeds hetzelfde:
licht dat van boven komt,
schaduwen die voorbij schuiven,
gezichten die verschijnen en weer verdwijnen.
De anderen doen alsof dat normaal is.
Alsof je niet hoeft te weten wat er achter het glas zit.
Alsof dit genoeg is.
Maar soms…
soms blijft er iemand staan.
Niet zo iemand die tikt.
Niet zo iemand die wijst of lacht.
Gewoon iemand die kijkt.
Lang.
Ik voel dat meteen.
Niet in mijn hoofd, maar ergens anders.
Alsof het water even stiller wordt.
Die persoon zegt niets.
Doet niets.
En toch gebeurt er iets.
Het is vreemd:
hoe minder die ander doet,
hoe meer ruimte ik voel.
Ik vraag me af hoe zijn wereld eruitziet.
Of die ook rond is.
Of hij ook steeds dezelfde paden loopt.
Of hij soms denkt dat iedereen hem ziet,
maar niemand echt weet wie hij is.
Ik zie hem zuchten.
Zijn schouders zakken een beetje.
Dan kijkt hij nog één keer.
Niet naar “de vissen”.
Maar naar mij.
En voor het eerst denk ik niet:
ik hoor er niet bij.
Ik denk:
ik word opgemerkt.
Misschien zijn er werelden die groter zijn dan deze.
Met stromend water.
Met ruimte om een andere kant op te gaan.
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet,
is dat ik niet alleen ben in mijn rondjes.
Aan de andere kant van het glas
is iemand
die ook even stilstaat.
