Het glas dat bleef staan

Een januari-verhaal over een voornemen dat geen strijd wilde zijn

De keuken was stil op die manier die alleen januari kent.
Niet leeg, maar uitgeademd.
Alsof de dag zelf ook was gaan liggen.

Hij stond bij het aanrecht, zijn jas al uit, zijn schoenen nog aan.
Dat korte moment tussen thuiskomen en echt thuis zijn.
De kinderen lagen boven in bed. Hij had hun adem nog gehoord toen hij langs hun kamers liep: onregelmatig, geruststellend, onbewust.

Zijn hand ging automatisch naar het keukenkastje.
Het glas stond er al.
Hij had het niet eens gemerkt.

Dat gebeurde vaker sinds oud en nieuw.

Op oudejaarsavond had hij het gezegd alsof het niets was.
Bij de chips, tussen twee oliebollen door.

“Oké,” had hij gelachen. “Ik stop wel even.”

Niet omdat hij moest.
Niet omdat hij niet zonder kon.
Maar omdat zijn kinderen op school hadden gehoord dat zelfs één glaasje alcohol al slecht was.
En omdat ze hem daar zo serieus over hadden aangekeken.

Niet beschuldigend.
Meer onderzoekend.

Alsof ze wilden weten of hij iemand was die luisterde.

Hij had beloofd.
En dat voelde op dat moment licht.

Nu was het anderhalve week later.
En anderhalve week voelde ineens verrassend lang.

Hij zette het glas op het aanrecht en bleef staan.
Niet onrustig.
Meer… zoekend.

Hij had geen dorst.
Dat wist hij meteen.

Wat hij miste was iets anders.

Het einde van de dag.
Het kleine moment waarop alles afgerond werd.
Waarop niets meer hoefde.

Vroeger was dat een glas wijn geweest.
Niet om te verdwijnen.
Maar om te landen.

Hij schonk water in.
Heldere straal.
Klonk harder dan hij had verwacht in de stilte van de keuken.

Hij nam een slok.
En voelde meteen: dit was het niet.

Niet omdat het water was.
Maar omdat het niet dat moment was.

Hij leunde tegen het aanrecht en keek naar het raam.
Buiten lag de straat er kaal bij.
Beetje sneeuw, maar geen feestlichtjes.
Alleen lantaarns die hun werk deden zonder applaus.

Hij dacht aan hoe zijn zoon het had gezegd:
“Papa, zelfs één glaasje is eigenlijk al slecht.”

Niet streng.
Niet slimdoenerig.
Gewoon alsof het een weetje was. Zoals dat broccoli gezond is. Of dat te laat slapen niet handig is.

Hij had toen geknikt.
En iets in zichzelf beloofd.

Niet groots.
Niet voor altijd.

Gewoon: nu even niet.

Van boven klonk een zacht geluid.
Een voetstap.
Een kraakje in de trap.

Hij draaide zich om.

Zijn dochter stond in de deuropening.
Op sokken.
Met haar haar nog half in slaapstand.

“Papa?”
“Ja?”
“Ik kon niet slapen.”

Ze liep naar hem toe en keek naar het glas op het aanrecht.
Ze zag meteen dat het geen wijn was.
Zei er niets over.

Ze zei sowieso weinig.

Ze kwam naast hem staan en leunde even tegen zijn arm aan.
Niet zwaar.
Niet vragend.
Gewoon aanwezig.

Hij voelde hoe zijn schouders iets zakten.
Alsof zijn lichaam begreep wat zijn hoofd nog zocht.

“Ga je weer liggen?” vroeg hij zacht.
Ze knikte.

Voordat ze terugliep, keek ze nog één keer naar het glas.
Toen naar hem.
Ze glimlachte.
Niet trots.
Niet opgelucht.

Meer alsof ze iets herkende.

Boven hoorde hij haar deur weer dichtgaan.

Hij bleef alleen achter in de keuken.
Met hetzelfde glas.
Hetzelfde huis.
Dezelfde stilte.

Maar de stilte voelde anders.

Niet leeg.
Niet moeilijk.

Hij nam nog een slok water.
En zette het glas daarna gewoon… neer.

Niet omdat hij sterk was geweest.
Niet omdat hij gewonnen had.

Maar omdat hij ineens begreep dat hij niet gestopt was met drinken.
Hij was begonnen met luisteren.

Naar wat zijn lichaam nodig had.
Naar wat zijn kinderen onbewust vroegen.
Naar dat kleine moment aan het einde van de dag waarin iemand — al was het maar even — tegen hem aan mocht leunen.

Het glas bleef staan.

En dat was genoeg voor vandaag.

De man boven aan de trap

Een tweede blik op hetzelfde moment

Hij lag al in bed toen hij de stemmen hoorde.
Niet luid.
Meer… vertraagd.

De trap dempte alles een beetje, maar hij herkende ze meteen.
Zijn man.
En het kind.

Hun kind.

Of nou ja — zo voelde het inmiddels.
Al was dat in het begin anders geweest.

Toen ze elkaar leerden kennen, had hij zich nog afgevraagd of hij hier wel ruimte voor had.
Voor een leven dat al begonnen was.
Voor een kind uit een eerdere relatie.
Voor een verhaal dat niet netjes bij hoofdstuk één begon.

Maar sommige dingen groeien niet omdat je ze plant.
Ze groeien omdat je blijft.

Hij draaide zich iets op zijn zij en luisterde.
Niet nieuwsgierig.
Meer… aanwezig.

Hij hoorde hoe zijn man iets zei — rustig, bedachtzaam — en hoe hun kind daarna antwoordde.
Zacht. Slaperig.
Dat typische randje van een stem die al half in dromen zit.

Er werd niet veel gezegd.
En toch voelde hij: dit is belangrijk.

Hij wist waar dit over ging.
Niet omdat ze er veel woorden aan hadden gegeven, maar omdat hij het al dagen merkte.

Dat kleine schuiven in de avond.
Dat ontbreken van het ritueel.
Dat zoeken naar iets wat geen naam had.

Hij glimlachte even in het donker.

Niet omdat het opgelost was.
Maar omdat hij zag hoe zorgvuldig zijn man hiermee omging.

Geen strijd.
Geen groot voornemen.
Gewoon luisteren.

Hij hoorde voetstappen.
Hun kind liep weer naar boven.
De trap kraakte precies zoals altijd.

Even later ging er een deur dicht.
Zacht.

Hij bleef nog even liggen, wachtend.
Niet omdat hij iets wilde zeggen.
Maar omdat sommige momenten geen commentaar nodig hebben.

Toen hoorde hij hoe beneden het glas werd neergezet.
Niet hard.
Beslist.

Hij voelde hoe iets in hem ontspande.

Hij dacht aan vroeger.
Aan hoe hij ooit had gedacht dat zijn leven overzichtelijk moest zijn.
Dat liefde één vorm had.
Dat vaderschap er op een bepaalde manier uit hoorde te zien.

En hij moest bijna lachen om die versie van zichzelf.

Want hier lag hij nu.
In bed.
Luisterend naar zijn man in de keuken.
Na een gesprek met een kind dat niet uit zijn lichaam was voortgekomen, maar inmiddels wél uit zijn leven niet meer weg te denken was.

Hij sloot zijn ogen.

Beneden werd niets meer geschonken.
Geen fles.
Geen glas.

Alleen stilte.

En die stilte voelde niet leeg.
Maar gedeeld.

Toen zijn man even later zacht de slaapkamer binnenkwam, deed hij alsof hij sliep.
Niet uit afstand.
Maar uit vertrouwen.

Hij voelde hoe er naast hem werd gaan liggen.
Een hand even op zijn arm.
Kort.
Vanzelfsprekend.

Meer hoefde niet.

Sommige beloften worden niet uitgesproken.
Ze worden gehoord.
Van boven aan de trap.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Scroll naar boven